“Het was herfst 1944. Ik verbleef al verschillende
maanden in Auschwitz. Door de lange marsen in de zon en het eindeloze staan in
de modder waren mijn schoenen totaal versleten. Er was maar één manier om nieuwe
te krijgen: vragen om andere schoenen aan de kampopzichter. Zij zou de volgende
morgen met mij naar de “schoenenopslagplaats” gaan.

De volgende morgen nam ze mij – met nog vier andere
meisjes – mee naar de andere kant van het kamp. Daar lag een enorme berg
schoenen. Sommige van deze schoenen waren meegenomen door pas aangekomen
mensen, meegebracht in hun koffer of aan hun voeten. Hier waren ook schoenen
van mensen die naar de gaskamers waren gestuurd, of mensen die waren
weggestuurd, wie weet waar naartoe.

Er lag niet alleen een berg schoenen, maar ook een
berg brillen, kleren, koffers, en nog veel meer.

De gevangenen die alles moesten sorteren hadden geluk,
zij konden voor zichzelf het beste uitkiezen. De schoenen waren alleen gesorteerd
op maat, niet op kleur of model. Eén linker en één rechterschoen in dezelfde
maat, dat werd als een paar aan elkaar gebonden. Uit deze enorme berg nam ik
een paar schoenen in mijn maat die sterk genoeg leken, en daarmee was ik best
tevreden. Wij waren gewend aan zulke schoenenparen. Je zag zelden een gevangene
met een écht paar schoenen.

De volgende morgen liepen wij zoals gewoonlijk weer
uren lang naar ons werk, vijf meisjes naast elkaar, met daarachter en daarvoor
honderden anderen. Ik keek naar al die marcherende benen. Wat zag ik daar, een
heel eind weg in de rij? De bruine schoen die past bij míjn bruine! Ik werd
helemaal opgewonden, en kon bijna niet wachten tot we op de plaats van
bestemming waren. Toen ik haar uiteindelijk vond, en vroeg om haar bruine
schoen te ruilen tegen mijn zwarte, bleek dat zij ook op zoek was naar het
bruine paar…
Elke morgen als we elkaar zagen maakten we ruzie. “Geef die bruine schoen”. “Nee, geef jíj die bruine schoen maar.” Zonder resultaat.

Na een tijdje zag ik haar niet meer. Wat zou er
gebeurd zijn? Na een week bracht een ander meisje mij de ontbrekende bruine
schoen. De eigenaresse van deze schoen lag in de ziekenbarak. Zij verwachtte
niet dat ze nog beter zou worden, er nog levend uit zou komen. Daarom had ze
besloten om mij de schoen te laten bezorgen, zo had ik tenminste nog een écht
paar schoenen.”

(Dora Sorell, 17 maart 1984).

In de opmars naar de meidagen
is er veel aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. Zowel radio als televisie,
internet of kranten, de media staan er vol van. De holocaust is een thema
dat heel veel vragen blijft oproepen. Hoe kunnen mensen zich een voorstelling
maken van de gebeurtenissen in de kampen? Er waren vaak geen woorden
voor om de werkelijkheid te beschrijven, de mensen wilden het niet horen, of ze
geloofden het niet. Schrijvers moesten een manier zoeken om de lezer te
bereiken, zonder dat hij het boek na enkele bladzijden gelezen te hebben aan de
kant schoof. Ieder deed dat op eigen wijze.

Primo Levi schreef als wetenschapper, hij analyseerde
zijn kampervaringen. Elie Wiesel probeerde een antwoord te
krijgen op hoe mensen in beesten konden veranderen, hij wilde begrijpen. Ook
verschenen er gedichten. Paul Celan schreef zijn beroemde
“Todesfuge”.

André Schwartz-Bart brengt je in zijn boek “De
laatste der rechtvaardigen” tot in de ziel van zijn hoofdpersoon. Voor iedereen
bekend is de film van “Schindlers list”, naar een boek van Thomas Kenaelly,
waar het karakter van de hoofdpersoon de rode draad is.

Op 31 maart 2016 overleed Imre
Kertész. Zijn boek “Onbepaald door het lot”, werd verfilmd. Hij geloofde
niet zo zeer in het lot, maar in het feit dat de mens zelf stappen moest
zetten. Eigen keuzes maken hem tot slachtoffer of tot dader. Geza Rohrig
probeerde in 2015 met zijn film “Son of Saul” zo dicht als mogelijk bij de
werkelijkheid te komen.

De verhalen van Dora Sorell, waaronder “A pair of shoes”, brachten mij bij de
altijd weer terugkerende vraag: hoe kun je kinderen vertellen over deze zwarte
bladzijden uit de geschiedenis? Haar verhaal over de
schoenen leert ons daar iets over. Niet de verhalen vol gruwelen en sensatie
moeten we vertellen, maar de verhalen die over de kleine, menselijke dingen
gaan. Als je kunt leren om door deze verhalen heen te kijken, kun je misschien
een glimp opvangen van hoe het geweest moet zijn.

De volgende uitspraak van
Imre Kertész deed veel stof opwaaien: “Wij mensen zijn in staat om alles te
overleven. Zelfs daarginds, bij de schoorstenen van Auschwitz, was er, als de
kwellingen aflieten, iets geweest wat je met geluk zou kunnen vergelijken.” “Iedereen had het
over ontberingen en ‘gruwelen’, maar die kleine gelukservaringen waren het
belangrijkste geweest.”

Op veel verschillende
manieren is er geschreven over de Holocaust, dat geeft ons als lezer de kans om
met allerlei invalshoeken kennis te maken. Zo kunnen we ons beeld verbreden,
ook nu nog. Als eerbetoon aan de mensen die zo hebben geleden, maar ook om meer
grip proberen te krijgen op vragen uit deze tijd.