In de nachtelijke uren is het
druk in het Vijverbroek. Niet dat het mijn gewoonte is daar ’s nachts rond te
dolen, maar er zijn allerlei individuen die, zonder het zelf in de gaten te
hebben, hun sporen achterlaten.

In het natte maisveld, waar de
ploeg nog niet is geweest, staan de pootafdrukken van het wilde zwijn. Even
dacht ik dat er een wezen met vier tenen had gelopen, maar daar kwam een
verklaring voor. Het zwijn drukt zijn achterpoten precies op de plek van de voorpoten
bij de vorige stap, dat betekent minder risico bij een zachte ondergrond. Een
volwassen dier kan toch al gauw 150 kg wegen.

Mocht er nog twijfel zijn over
de vermeende aanwezigheid, de poep, in de vorm van aan elkaar geregen zwarte
schijfjes, bevestigt hun nachtelijke tocht.

Over poep gesproken, in
hetzelfde veld verraden ronde keuteltjes de konijnen. Zij waren hier vast om de
zon op te zien komen.

Afgekloven stammen, in de vorm
van een potlood, zorgvuldig geschild met twee messcherpe voortanden… juist, de
bever. Hij heeft de afgelopen nacht weer
hard gewerkt om een geul in zijn dam te dichten met hout en modder. De natte
klei blinkt in het licht dat door de bomen valt. Het vellen van een grote boom
is voor hem een koud kunstje. In het bos komen hierdoor open plekken, waar weer
andere planten kunnen groeien, en zich andere dieren kunnen vestigen. Goed voor
de soortenrijkdom.

De bever is een knappe architect,
de veel geroemde Nederlandse deltawerken verbleken bij zijn kunstige burcht. Hij
bouwt in zijn burcht een natte en een droge kamer. In de natte kamer leert hij
de jongen zwemmen, veilig voor roofvissen zoals de snoek. Ook schudt hij er
zijn vacht uit, voor hij de droge nestkamer betreedt. De ingang van de burcht
is onder water. In het moeras zijn de wissels duidelijk te zien, een soort
paadjes waar hij in of uit het water komt. Verse sporen vertellen dat hij er
pas nog is geweest.

Een bever sjouwt de hele nacht
rond op zoek naar voedsel: twijgen en boomschors in de winter, ’s zomers kruiden, planten en scheuten
van jonge waterplanten. Voor de winter legt hij een voorraadje takken aan,
dicht bij de ingang van de burcht. Hem kan niets gebeuren. Nou ja, niets, dat
is een beetje veel gezegd. De komst van een andere mannetjesbever kan ontaarden
in een gevecht op leven en dood.

De tocht gaat verder. Sporen van
het ree, smal, gezet met fijngebouwde teentjes, met ook de keuteltjes her der,
laten zien dat ook zij van de partij zijn geweest. Kieskeurig als ze zijn,
zullen ze lekker aan de door hen zorgvuldig uitgekozen blaadjes of kruiden
hebben geknabbeld.

Voetsporen van het everzwijn
leiden naar een afdak van takken en struweel. Tussen de stammen is de plek te
zien waar een everzwijn tegen een ontblote boomwortel aanschurkt, niet één
keer, maar telkens weer. Het hout is erdoor gepolijst.

Je kunt de zwijnen heel
goed ruiken, een typische geur van gerookte hesp hangt boven de omgewoelde
grond. Hier is het blijkbaar goed modderbaden.

Dan pas zie ik het aangrenzende
weiland: omgeploegd door zwijnensnuiten, op zoek naar… ja, naar alles,
eigenlijk. Ze eten zaden, knollen, gewassen. Maar ook kevers, wormen of kleine
dieren. Ze woelen de grond om, op deze plekken krijgen plantenzaden weer een
kans om te gaan groeien.

De vele sporen verraden de aanwezigheid
van allerlei dieren in de afgelopen nacht of ochtendschemering.

Dit was het thema van een
wandeling die werd georganiseerd door Natuurpunt. Een woord van dank aan Jos de
la Haye, maar ook aan alle anderen die
hun kennis met ons wilden delen.